I.01 De opkomst van Luci (NL)

I.01 De opkomst van Luci (NL)

€27,99
Ga direct naar de productinformatie
I.01 De opkomst van Luci (NL)

I.01 De opkomst van Luci (NL)

€27,99

In een tijd waarin geopolitieke spanningen, religieuze tegenstellingen en maatschappelijke onzekerheid steeds meer samenkomen, verschijnt de roman Op weg naar het begin: De opkomst van Luci — het eerste deel van een actuele trilogie die heden, geschiedenis en profetie met elkaar verweeft.


Het verhaal schetst een wereld in verval waarin oude machten ontwaken en mythen hun status als fictie verliezen. Wanneer chaos en geloof elkaar kruisen, ontvouwt zich een strijd die niet alleen het lot van naties bepaalt, maar de toekomst van de mensheid zelf.


Tegen deze achtergrond volgen we een vader en zijn kinderen, op de vlucht en ongewild betrokken bij gebeurtenissen die hen langs profetieën, verloren artefacten en eeuwenoude geheimen voeren. Wat begint als overleven, groeit uit tot een confrontatie met krachten die groter zijn dan henzelf.


Op weg naar het begin is een roman over macht, geloof en verlossing, waarin geschiedenis, mystiek en actuele realiteit samensmelten. Het boek begeeft zich in de driehoek Dan Brown (mystiek/symboliek) - Paulo Coelho (spiritualiteit) - Joel Rosenberg (actualiteit/profetieën). Het boek stelt geen geruststellende vragen, maar confronteert de lezer met de mogelijkheid dat het einde niet het eindpunt is — maar een overgang naar iets nieuws.

HET EINDE

{Diverse legerbases, Rusland}

Een lange nacht

Het was middernacht. Op verschillende bases begonnen de rode telefoons te rinkelen. De orders werden kort en krachtig gegeven, zonder ruimte voor twijfel. Iedereen wist wat dit betekende en wat er gedaan moest worden. Hier was eindeloos op geoefend. Dit was het moment waarop geen enkele fout toegestaan was. Twintig minuten later klonken op alle vliegvelden de gierende motoren van de opstijgende jets. Eén voor één schoten de toestellen de donkere nacht in, het avontuur tegemoet. In zorgvuldig samengestelde teams vlogen ze, elk een andere route, elk met een andere missie. In de cockpits lagen doelcoördinaten klaar: meerdere locaties, allemaal aangeduid als ‘kritiek’, allemaal bestemd voor vernietiging. Het zou een lange, meedogenloze nacht worden zonder garantie op terugkeer.

{Mike, Hoofddorp, Nederland}

De wake-up call

Die dinsdagnacht lag Mike diep te slapen in zijn kleine eengezinswoning. Omdat de kinderen bij hun moeder waren, kon hij eindelijk eens goed uitslapen en een beetje bijkomen. Plotseling werd hij opgeschrikt door loeiende sirenes. Tegelijkertijd begon zijn smartphone enorm kabaal te maken op het nachtkastje. Het leek alsof het toestel zelf in paniek was. Mike schoot overeind, nog half verdoofd. Vermoeid, met halfopen ogen, keek hij naar het bijna verblindende scherm. Het was het zeven minuten over vier. ‘Wat is er in vredesnaam aan de hand? Wie haalt het in zijn hoofd om mij op dit tijdstip wakker te maken? Waarom gaan die sirenes?’ vroeg hij zich slaperig af, terwijl het scherm van zijn telefoon begon te flikkeren. Er verscheen een noodbericht: ‘Nederland wordt aangevallen. Blijf binnen. Houd afstand van buitenmuren. Zoek dekking. Zet de radio aan. Wacht op verdere instructies.’ De letters leken op zijn netvlies te branden. De nacht maakte even pas op de plaats om daarna te exploderen. Hij had nog niet eens de kans gehad om het echt te begrijpen, toen een oorverdovend geluid snel aanzwol. Het klonk als een Formule 1-wagen die met volle snelheid door zijn slaapkamer scheurde. Het bed schudde, de ramen rammelden in hun kozijnen of ze elk moment konden versplinteren en zelfs de muren leken te resoneren. Op dat moment besefte Mike dat dit geen sireneoefening was. Er was reëel gevaar.

Zijn hart sloeg over, zijn oren suisden en hij was in één klap klaarwakker. Hij sprong uit bed, stormde naar het raam en rukte het gordijn opzij. De schaduwen van de huizen achter zijn woning lagen roerloos in het zachte sterrenschijnsel. Verder zag hij geen bijzonderheden. Aan de achterkant was alles rustig. Het drong nog niet tot hem door wat er werkelijk aan de hand was. Het geluid was even snel verdwenen als dat het gekomen was. “Idioten! Wat is dit?” mopperde hij in zichzelf. Hij liep snel naar de andere kant van het huis om te kijken of hij daar iets kon zien. Ook daar was niets te ontdekken. In de verte zag hij wel enkele vliegtuigen aan de nachtelijke hemel, wat hij opmerkelijk vond op dit tijdstip. Verder verbaasde hij zich over het weerlichten en de verre knallen. Het leek op afgestoken vuurwerk, even verderop, achter het vier verdiepingen tellende flatgebouw op de hoek. Het zou snel blijken dat dit geen vuurwerk was.

‘Nou ja, maar even naar beneden om iets te drinken. Dan kijk ik wel op internet wat er precies gaande is,’ dacht hij, terwijl hij haastig de trap afliep. Hij was moe, waardoor hij zich nog steeds niet volledig realiseerde wat de werkelijke strekking van het noodbericht was. Hij schonk zichzelf een glas water in, plofte op de koude zwartleren bank, waarna hij zijn mobiel opende om de online krant te lezen. Direct zag hij een schijnbaar oneindig aantal recente artikelen met woorden in de titel als ‘oorlog’, ‘Rusland’ en ‘aanval’. Hij deed snel de tv aan en schakelde naar het CNN-kanaal. Net op dat moment klonken voor het eerst de loeiende sirenes van de hulpdiensten door de straten. Een koude rilling liep over zijn rug. Alles greep hem naar zijn keel. Dit kwam wel erg dichtbij.

Op CNN flitsten de live-beelden onafgebroken voorbij van een oorlog die Europa zojuist had opgeslokt. De presentator sprak gejaagd, zijn gezicht geconcentreerd en ernstig. Rusland had honderden jets het Europese luchtruim ingestuurd en NAVO-toestellen probeerden de vreemdelingen wanhopig terug te dringen. Wat in eerste instantie leek op standaardonderscheppingen, was volledig ontspoord nadat de Russische toestellen weigerden om te keren. Vanaf dat moment was alles razendsnel geëscaleerd.

De kaart op het scherm lichtte op als een kerstboom van conflicten. Explosie-icoontjes verschenen in een steeds sneller tempo. De zwaarste aanvallen concentreerden zich in het oosten van Europa: de Baltische staten, Roemenië en Bulgarije. Die landen hadden het zwaar te verduren. Volgens één van de verslaggevers waren er vooralsnog geen massale bombardementen op burgerdoelen. Vooral vliegvelden, luchtafweerinstallaties en andere militaire objecten werden onder vuur genomen. Hij bleef verstijfd naar de tv kijken en realiseerde zich het gevaar met Schiphol slechts een paar kilometer verderop. Terwijl hij daar zat, vlogen ondertussen regelmatig brullende straaljagers laag over. Opeens werd de uitzending onderbroken door een melding: ‘Explosies op Schiphol’. Vervolgens verschenen chaotische beelden van nerveuze verslaggevers ter plekke. De schokkerige, onscherpe beelden van explosies en branden, onderbroken door het gebulder van jetmotoren, maakten de situatie alleen maar beangstigender. Al snel werd bevestigd dat de verkeerstoren zwaar getroffen was en inmiddels volledig uitgeschakeld was. “Dus dít was het vuurwerk dat ik eerder hoorde,” mompelde Mike in zichzelf. Zijn adrenalineniveau steeg direct.

Hij trok haastig zijn dunne voorjaarsjas aan. Hij móést zelf achter het flatgebouw op de hoek gaan kijken. Vanaf dat punt had hij het beste zicht richting Schiphol. ‘Het zal toch niet echt zo zijn?’ hij kon het nauwelijks geloven. Hij rende de straat uit en ging aan het einde om het gebouw heen. Op straat stonden meerdere mensen in kleine groepjes te praten. Anderen liepen of renden, net als hij, in dezelfde richting. Nadat hij de zijkant van de flats bereikt had, zag hij bewoners met telefoons in hun hand op balkons staan filmen en fotograferen. Nog een paar passen verder zag hij de hemel boven Schiphol verlicht worden door een flakkerende rode gloed. Mike bleef staan, overvallen door complete verbijstering. De gloed pulseerde als een hartslag. Elke flits was een nieuwe bevestiging dat de situatie bittere werkelijkheid was.

Op dat moment naderde een politieauto met hoge snelheid. De sirenes loeiden, blauwe en rode lichten dansten over de gevels. De wagen remde abrupt af naast de groep mensen waar Mike inmiddels tussen stond. “Iedereen onmiddellijk naar huis! Ga binnen schuilen, weg van de ramen. NU!” riep een agent door het open raam. Nog voordat iemand kon reageren, trok de auto alweer op en verdween de straat uit. Mike slikte, draaide zich om en volgde het bevel op. Enkele minuten later was hij weer in zijn eigen veilige, vertrouwde huis.

‘Hoe is het met mijn kinderen?’ schoot het door zijn hoofd, terwijl hij in paniek zijn telefoon pakte. Ze woonden bij hun moeder, in een hoge flat twee kilometer verderop. Gelukkig lag die iets verder van het vliegveld dan waar hij woonde. Meteen werd er opgenomen door Lico, de oudste, die met gespannen, onzekere stem vroeg: “Papa, wat is er aan de hand?” “Tsja, dat weet ik ook niet precies. Het voelt alsof we in een slechte film zitten. Gaat het een beetje met jou?” reageerde Mike, terwijl hij probeerde kalm te klinken. “Het gaat wel, maar ik vind het eng. Dat vinden we allemaal. Mama ligt op bed te beven. Ze zegt niks, ze kan alleen maar huilen,” vertelde Lico. “Hebben jullie het nieuws aanstaan?” vroeg Mike. “Ik had het even aangezet, maar toen werd het er voor mama alleen maar erger op. Dus nu staat de tv uit,” lichtte Lico toe. “Goed zo, dat is verstandig. Het is ook best wel spannend. We moeten even afwachten en hopen dat het snel over is. Dit krijgt vast nog wel een vervolg. Hoe is het met je zusje en broertje? Zijn die oké? Geef ze maar even zelf aan de lijn,” zei Mike.

Tino, de jongste, kwam als eerste met trillende stem aan de lijn: “Hi papa… ik ben bang. De knallen zijn zo hard, ik schrik steeds. Het geluid van de vliegtuigen is ook heel hard. Er vloog er net eentje bijna tegen de flat aan.” Tino had op zijn leeftijd waarschijnlijk moeite om te begrijpen wat er aan de hand was. “Ja, dat is ook best wel eng, lieverd. De knallen klinken als vuurwerk, maar die straaljagers zijn het ergste. Die maken zo’n kabaal. Gelukkig is het best ver weg en de brandweer is al aan het blussen. Ik hou van jou,” zei Mike zacht. Tino gaf de telefoon aan Ina. Ze klonk onzeker: “Papa… mama is zo verdrietig. Ze huilt de hele tijd en ze wil niet uit bed komen. Ik ben bang en ik lig bij haar, maar ze kan niet goed praten.” “Maar lieverd, wat gebeurt er als je iets tegen haar zegt? Kan ze jullie troosten?” vroeg Mike bezorgd. “Nee… in het begin schreeuwde ze dat de wereld vergaat en dat alle mannen klootzakken zijn die altijd ruzie maken. Ze zei ook dingen over vroeger die ik niet snap. Nu huilt ze alleen nog maar,” antwoordde Ina hoorbaar verdrietig. Mike voelde zijn maag omdraaien. “Blijf maar bij haar, lieverd. Blijf rustig, oké? Ik kom eraan. Maar geef de telefoon eerst even aan mama,” probeerde Mike haar te kalmeren.

Het was een vreemd verzoek. Hij en Lili spraken elkaar eigenlijk nooit meer, maar hij móést weten of de kinderen emotioneel veilig waren. Als dat niet zo was, dan zou de situatie voor hen alleen maar traumatischer worden. Hij wist dat de kinderen het vaker moeilijk hadden bij hun moeder. Door haar jeugd had Lili moeite met het tonen van liefde. De kinderen klaagden regelmatig dat ze het gevoel hadden dat hun moeder niet van hen hield. Toch stuurde hij ze altijd weer terug naar haar als het ‘mama-tijd’ was, al viel dat hem elke keer zwaar. Op de achtergrond hoorde hij Ina herhaaldelijk vragen of haar moeder de telefoon wilde aannemen, maar er kwam steeds geen reactie. Het enige dat hij hoorde, was het gesnik van Lili. Zacht fluisterde Ina: “Papa… ze wil de telefoon niet overnemen.”

Veiligheid voor de kinderen

“Zet de telefoon maar op luidspreker en houd hem bij mama,” zei Mike dringend. Na een paar keer rustig vragen hoe het ging, kwam er een reactie van Lili. Tussen het snikken door fluisterde ze snakkend naar adem dat ze bang was. Meer kreeg hij niet uit haar. Ina nam de telefoon weer terug en zei dat de jongens op het balkon stonden te kijken naar het schouwspel in de lucht. Op dat moment gingen alle lichten uit. De stad werd gehuld in duisternis. Het gebrul van een straaljager zwol aan en een seconde later donderde het als een orkaan over zijn hoofd. Hij hoorde zijn kinderen gillen aan de andere kant van de lijn. Van Lili hoorde hij slechts een zwaar gekreun. Boven het gebrul van de jets uit klonken ook duidelijk machinegeweren. Even daarna volgden nog twee vliegtuigen, in wat klonk als een achtervolging. Mike’s huis trilde op zijn fundamenten, waarna het vuurwerk in de verte opnieuw losbarstte. “Haal de jongens van het balkon!” schreeuwde Mike in paniek naar Ina. Er klonk gerommel aan de andere kant van de lijn, totdat Lico de telefoon overnam: “Papa… we stonden op het balkon. De vliegtuigen vlogen zó laag en er werd geschoten. Er zitten kogelgaten in de woonkamermuur en de ruit is kapot. De buren hebben denk ik de volle laag gekregen. De buurman stond met ons op het aangrenzende balkon te kijken. Ik denk dat hij geraakt is.” Ineens klonk er een ijzingwekkende gil op de achtergrond. Die was niet van Lili…

Mike dacht snel na. Een hoge flat was op dit moment geen veilige plek. Met Schiphol zo dichtbij was het slechts een kwestie van tijd tot het appartement opnieuw geraakt zou worden, door een verdwaalde kogel of erger. ‘Gelukkig doet het mobiele netwerk het nog. Waarschijnlijk zijn de lichten opzettelijk uitgeschakeld door de overheid,’ dacht hij koortsachtig. “Geef me je moeder even terug,” beval hij Lico. “Ik spring nu op de fiets en kom de kinderen halen,” zei hij kort tegen Lili. “Nee! De kinderen horen bij mij!” schreeuwde ze, met alle kracht die ze nog in zich had. Mike aarzelde, maar nam snel een besluit. Hij had geen keus. “Luister, Lili. In een laag huis zijn jullie veiliger dan in een hoge flat. Jullie zijn daar in levensgevaar. Zorg dat de kinderen over acht minuten beneden staan met hun fietsen. We fietsen binnendoor, onder de bescherming van bomen en tussen de huizen door. Als je mee wilt, mag dat,” zei hij zo scherp en beheerst als hij kon, al realiseerde hij zich dat hij er absoluut geen zin in had om Lili in zijn huis te hebben. Normaal al niet, maar zeker niet in deze toestand.

In zijn slaapshirt, joggingbroek en slippers sprong hij in deze warme voorjaarsnacht op de fiets. De verlichting liet hij uit om geen onnodige aandacht te trekken. Via de achterpoort reed hij tussen de huizen door, de duistere nacht in. Hij koos de snelste route, beschut door bomen en muren, en kwam onderweg niemand tegen. De rust werd slechts doorbroken door verre sirenes en het monotone geluid van straaljagers in de verte. Op een open stuk, vlak bij een klein meer, keek hij omhoog om te zien waar de activiteit zich afspeelde. Boven hem dansten snelle lichtjes als vallende sterren. Af en toe zag hij felle flitsen van flares of afweergeschut. Veel tijd nam hij niet om de gevechten in de lucht tot zich door te laten dringen. Hij trapte flink door. ‘Nog één bocht, dan ben ik er. De flat staat er in ieder geval nog,’ dacht hij, terwijl het silhouet van het appartementencomplex achter de huizen opdoemde.

Net terwijl hij de laatste bocht omging, hoorde hij opnieuw het gebrul van straaljagers naderen. Een fractie van een seconde later volgde een enorme knal, rechts van hem, achter de huizen. De grond trilde, stof sloeg in zijn gezicht en de hitte van de explosie trof hem als een mokerslag. Hij zag nog net twee toestellen optrekken. Als dovende kaarsen werden hun motorlichten kleiner en kleiner, tot ze verdwenen in de nacht. Wat er precies was geraakt, kon hij niet zien, maar achter de daken rechts van hem steeg een paddenstoelvormige vuurgloed op. Dit was dichtbij. Geen tijd om te aarzelen. Hij trapte verder, zo hard als hij kon, en bereikte al snel de flat.

Voor het gebouw zag hij schaduwen van mensen die dekking zochten tegen de muren. Anderen schuilden in de greppel naast het gebouw. Zijn ogen gleden door het donker, wanhopig zoekend naar zijn kinderen, maar hij zag ze niet. ‘Waar zijn ze... waar zijn mijn kinderen?’ galmde het in zijn hoofd. De sirenes kwamen nu snel dichterbij, aangetrokken door de explosie die hij net had meegemaakt. Boven de daken van het huizenblok achter hem likten de vlammen steeds hoger richting de sterren. De verstikkende, doodse geur van brandend puin werd, wrang genoeg, af en toe doorbroken door een frisse lentebries.

Op weg naar binnen trof hij bij de ingang een vrouw aan die duidelijk in shock verkeerde. Een man hield haar stevig vast. “Kent u Lili? Hebt u haar kinderen gezien?” vroeg Mike gehaast. De man reageerde niet meteen. Het duurde even voordat hij leek te beseffen dat hij werd aangesproken. Mike herhaalde zijn vraag. De man schudde beduusd zijn hoofd. Mike belde Lili. Ze nam direct op. “Ik ben beneden. Waar zijn jullie? We moeten hier weg. Het is hier te gevaarlijk!” zei hij vastberaden. Aan de andere kant van de lijn hoorde hij alleen een zware, onregelmatige ademhaling. ‘Dat is Lili,’ realiseerde hij zich. “Geef de telefoon aan Lico,” beval hij kortaf.

Na een paar lange seconden hoorde hij Lico’s trillende stem: “Mama doet raar. Ze… ze beweegt niet meer. Ze trilt alleen maar. En ze heeft gezegd dat we niet naar beneden mogen.” “Ik kom eraan. Blijf rustig, lieverd. Ik sta beneden bij de deur en kom nu naar boven,” zei Mike, terwijl hij de trappen opstormde, verlicht door het flauwe blauwe schijnsel van zijn telefoonscherm. Zijn hart bonsde in zijn keel. Elke verdieping voelde als een eeuwigheid. Ondanks zijn leeftijd en slechte conditie door zijn diabetes bereikte hij, gedreven door adrenaline, verrassend snel de twaalfde verdieping. Lico stond al in de deuropening. Hij zag bleek en was nog in zijn pyjama. Op de gang lag een oudere vrouw op de grond. “Blijf binnen en doe de deur dicht,” zei hij kort tegen zijn zoon.

Hij richtte het licht van zijn telefoon op de vrouw. Ze zat onder het bloed door snijwonden van glas met haar ogen wijd opengesperd van paniek. Mike knielde naast haar neer. “Gaat het met u?” vroeg hij op rustige, maar doordringende toon. De vrouw schudde haar hoofd en snikte. Met een trillende arm wees ze naar haar voordeur: “Mijn man... mijn man...” Mike aarzelde even, maar ging toch het appartement binnen. Wat hij aantrof, leek op een oorlogsscène. De woonkamer was verwoest: overal lagen glasscherven, de gordijnen fladderden in de tocht en in de muren zaten gaten als meteoorkraters op de maan. Het stof in de lucht stokte zijn ademhaling. Hij stapte voorzichtig tussen het puin door, richting het balkon. Daar trof hij het levenloze lichaam van een man aan. Het lag in een onnatuurlijke houding met het hoofd zwaar verminkt. Mike verstijfde. De metaalachtige geur van bloed vulde zijn neusgaten. Zijn maag trok samen. Hij draaide zich om, greep naar de deurpost voor steun en gaf over. En nog een keer.

Geen tijd om hier langer te blijven. Mike veegde zijn mond af aan het gordijn en rende naar de vrouw die nog op de gang van het trappenhuis lag. “Heeft u mijn man gezien? Waar is hij? Waarom is hij niet hier om mij te helpen? Waar is mijn man?” huilde ze overstuur. Hij knielde naast haar neer en onderzocht haar vluchtig. Met zijn oude EHBO-kennis in gedachten stelde hij vast dat ze waarschijnlijk alleen oppervlakkige snijwonden van het glas had. Veel verontrustender was haar toestand: haar blik was leeg en ver weg. Ze verkeerde duidelijk in shock. Ze greep zijn arm stevig vast, uit pure wanhoop. Hij wist dat hij nu niet veel voor haar kon doen. Zijn kinderen waren belangrijker. Die moesten hier weg. “Kunt u staan?” vroeg hij ongeduldig. Ze huilde en knikte, tranen stroomden over haar wangen. “Ga naar beneden. Daar wordt u geholpen. Ik help u naar de lift,” zei hij kortaf, terwijl hij haar ondersteunde. Hij drukte op de knop, maar herinnerde zich direct dat er geen elektriciteit was. Op dat moment rukte de vrouw zich los, rende haar appartement in en verdween richting het balkon. Een kille gil sneed door de woonkamer. Mike stoof achter haar aan, maar kwam te laat. In het flikkerende licht van de arriverende hulpdiensten zag hij nog net één van haar voeten verdwijnen over de balkonrand.

Hij verstijfde even, maar herpakte zich snel en rende daarna naar zijn kinderen. Direct nadat hij klopte, ging de deur open. Alle drie stonden ze in de gang, nog in hun pyjama’s. Hij trok ze naar zich toe en drukte ze stevig tegen zich aan. “Ik hou van jullie,” zei hij zacht, maar gejaagd. Hij controleerde snel of ze ongedeerd waren. Ze trilden, maar hadden geen verwondingen. “Waar is mama?” vroeg hij. “Ze ligt in bed, onder de dekens. Ze wil er niet onderuit komen,” antwoordde de middelste met een sip gezicht. “Oké, ik ga even naar haar toe. Jullie blijven hier,” zei hij resoluut en liep Lili’s slaapkamer in.

In het licht van zijn telefoon zag hij twee glanzende ogen onder de dekens. “Lili, kom. We moeten gaan. Het is hier niet veilig. Zo hoog zijn we een schietschijf. Het is wachten tot het misgaat. Kom met ons mee. We kunnen schuilen in de kruipruimte onder mijn huis,” zei hij gehaast. Lili begon ongecontroleerd te trillen, maar antwoordde niet. Hij merkte dat hij niet tot haar kon doordringen. Ze heeft een ‘freeze’, concludeerde hij meteen. Tijdens zijn EHBO-cursussen had hij geleerd dat ‘eigen veiligheid voorop staat’. Hij liet haar bevroren blik van zich afglijden. Hij voelde weinig voor haar, maar voor zijn kinderen was hij bereid haar mee te nemen. Natuurlijk kon hij haar niet dwingen om twaalf verdiepingen af te rennen, laat staan haar dragen. Hij wilde de kinderen niet bij hun moeder weghalen, maar hij had geen keuze. Zijn kinderen hadden prioriteit. Hij stond op, draaide zich om en zag de kinderen in de deuropening staan. Ze hadden alles gezien.

“Kom, we gaan even naar de woonkamer,” zei hij met de kalmste stem die hij nog kon opbrengen. Ook hier viel meteen op dat de ruiten kapot waren. De gesloten gordijnen bewogen zachtjes in de tocht. Mike’s blik gleed door de kamer. Minder verwoesting dan bij de buren. ‘Pure mazzel: het had voor de kinderen ook anders kunnen aflopen,’ realiseerde hij zich. Hij trok ze naar zich toe en sloot ze nogmaals stevig in zijn armen. Buiten klonk opnieuw het gebrul van straaljagers. In het blauwe licht van zijn telefoonscherm keek hij zijn kinderen aan. “Lieverds, ik hou van jullie. Het is hier niet veilig. We moeten omlaag. Mama is in paniek. Ze is in shock. Ik kan haar nu niet bereiken. In haar toestand zou het gevaarlijk zijn om haar mee te nemen: voor haar, maar ook voor ons allemaal,” zei hij met trillende stem. Hij slikte. “Ik ga haar nog één keer vragen om mee te komen. Als ze meegaat, geweldig. Als niet… dan gaan wij. Dan bellen we haar vanuit mijn huis. Hier blijven is geen optie. Er zitten kogelgaten in de muur en er was net een explosie om de hoek. Begrijpen jullie dat?” Drie kleine, bleke hoofden knikten. “Oké. Geen tijd om je aan te kleden. Pak je fietssleutel en huissleutel. Let’s go,” zei hij.

Ze liepen terug naar de gang. Vanuit de deuropening vroegen de kinderen, alle drie tegelijk, of mama alsjeblieft mee wilde naar papa’s huis. De sirenes begonnen weer te loeien, luider dan tevoren. Lili bewoog niet. Ze lag stil, verkrampt onder de dekens. Mike deed nog één poging: “Lili… alsjeblieft. Kom mee.” Geen reactie. Alleen dat trillen. Hij schudde zijn hoofd. Er was geen tijd meer. Hij draaide zich om en snelde het trappenhuis in. Eén voor één volgden de kinderen hem. Lili bleef alleen achter. Mike wist dat ze al veel langer eenzaam was: gevangen in haar eigen hoofd.

Naar huis

Beneden aangekomen bracht hij de kinderen eerst naar de drooggevallen greppel naast de flat. Daar gingen ze zitten, tussen de vele anderen die uit de flat waren gevlucht. Mike hurkte naast hen. “Mama is in shock. Ik kan haar niet dwingen. We moeten hopen dat ze veilig is. Wij hebben ons best gedaan. Nu moeten we schuilen. We fietsen door, maar niet te hard. Ik ga voorop, Lico sluit achteraan. Vanuit huis bellen we mama,” zei hij zacht. Zijn stem klonk kalm en beheerst. De kinderen knikten bevestigend. Ze pakten hun fietsen en vertrokken: eerst door de hete, verstikkende brandlucht van de eerdere explosie, daarna door een frisse lentebries in de duistere nacht. Ze werden begeleid door het gehuil van sirenes en het snerpende geluid van een enkele jet die laag overkwam.

Onderweg zagen ze in het licht van de sterren een groep jongeren rondhangen. Ze schreeuwden en staken vuurwerk af. Mike realiseerde zich meteen dat het relschoppers waren en besloot een andere route te nemen. Ze waren nog geen achthonderd meter van de flat verwijderd, die hoog boven de tussenliggende huizen uittorende, toen het gebeurde. Uit het niets klonk een gigantische knal achter hen.

De kinderen gilden en schreeuwden. Ze doken in elkaar en begonnen te slingeren op hun fietsen. Mike’s hart bonsde. Hij keek snel achterom. Tot zijn opluchting zag hij dat de kinderen ongedeerd waren en nog steeds hard doortrapten. Aansluitend richtte hij zijn blik iets hoger, over hen heen, om te zien wat er was gebeurd. In de verte stond de flat van Lili in brand. Hij keek er maar kort naar. Het linkerdeel was gewoon verdwenen: van de aardbodem weggevaagd. Wat nog overeind stond, brokkelde langzaam af. Na de explosie was er geen hard geluid meer: geen straaljagers, alleen het verre gejank van sirenes.

Gelukkig woonde Lili aan de rechterzijde van het gebouw. Hij hoopte dat ze naar beneden zou vluchten voordat de vlammen ook haar kant zouden bereiken. Hij besloot er nu geen aandacht aan te besteden, om de kinderen niet te verontrusten. Er viel bovendien niets te doen. “Doorfietsen,” schreeuwde hij en hij trapte zelf sneller. De kinderen volgden, zonder om te kijken. Zonder verdere incidenten bereikten ze zijn huis. Terwijl hij de deur achter zich sloot, wist Mike dat dit het einde was. Het einde van het makkelijke, veilige leven dat ze tot die nacht hadden gekend.

Mogelijk ook interessant voor u